CCDD 26 – Hoofdtrainers

Oud nieuws over Evert van Ginkel
Soms kom je in tijdschriften nog wel eens aardige dingen tegen. In een uitgave van Voetbal International, ‘anno de jaren zestig’ was dat een stukje over Evert van Ginkel, die in de seizoenen ‘87/’88 en ‘88/’89 hoofdtrainer bij Hoevelaken was en onze vereniging met drie kampioenschappen (1ste, 2e en 3e elftal) verliet. Evert van Ginkel speelde in het oprichtingsjaar van sc Hoevelaken, 1963, als betaald voetballer bij HVC. Negentien jaar was hij toen en de doelman van destijds was de achttienjarige Piet Schrijvers, waarvan wordt gezegd dat hij bij zijn komst danig op de proef werd gesteld door de routiniers van HVC. “En ik niet alleen”, laat Schrijvers in dat artikel weten. “Evertje van Ginkel was een jaar ouder dan ik en was overgekomen van BVV Baarn. Hij stond af en toe met de tranen in zijn ogen op het veld. Ze riepen dingen als: ‘Wat moet jij nou, snotneus?’  en  ‘Ga jij de ballen even oppompen’.

Henk Vreekamp (1967 – 1971) over de mensen met wie hij werkte, verhaal uit 2005
Henk Vreekamp herinnert hij zich nog vele namen en gebeurtenissen. Rijk van de Bor is de eerste naam die hij noemt. “Rijk was hét mannetje bij Veensche Boys. De spelers van Hoevelaken loerden altijd op hem. Later kwam hij bij Hoevelaken voetballen. Hij voelde zich nog steeds het mannetje en dacht het wel zonder trainen af te kunnen. Overigens waren die derby’s tussen Hoevelaken en Veensche Boys altijd het gesprek van het seizoen. Dat was een grote strijd. Veensche Boys voetbalde toen nog op hun oude complex. Het was echt een strijd tussen twee dorpen. Later, met wat meer forensen in Hoevelaken, werd het wat stadser”.
Ook de naam van Martin Vonhof staat diep in het geheugen van Henk Vreekamp gegrift. “Martin was echt een topper in mijn tijd, al heeft hij eerst een strijd moeten leveren met Teus van de Kuilen. Teus was dé man bij Hoevelaken in de aanval. Toen later Martin Vonhof erbij kwam heeft dat eerst wel wat wrijving opgeleverd. Het heeft even geduurd voordat die twee elkaar accepteerden”.
“Tijdens zijn bruiloft kwam Martin vanaf zijn trouwstoel nog even naar me toe om over voetbal te praten”, zegt Vreekamp verder over Vonhof. “Die man was zo bezeten”.
Bab Tiggelaven is ook een roemruchte naam uit de zestiger jaren. In het clubblad zei hij ooit over Henk Vreekamp: “Een autoritaire trainer, maar wel een clubman”. “Ach, wat is autoritair”, zegt Vreekamp. “Wanneer er getraind moest worden, moest er ook gewerkt worden. Bab was een beetje een piepert. Hij kwam regelmatig voor de training al zeggen dat hij wat moe was, omdat hij een zware dag had gehad. Ik zei dan tegen hem, dat wie wil voetballen ook moet trainen. Dat deed hij dan wel”.
Beer Visscher kent Henk Vreekamp al vanaf zijn zeventiende. “Henk voetbalde in Amersfoort. Dat was op zondag, maar dat mocht hij niet. Dan zette hij zijn voetbalschoenen bij mij neer. Je moet het hem maar eens vragen”. Henk Vreekamp erkent dit. “Mijn vader heeft mijn voetbalschoenen ook wel eens verbrand”.
Veel ontzag heeft Henk Vreekamp voor bestuurslid Cees Hommel. “In de tijd dat ik trainer was, moest je ontzettend veel zelf doen. Ik heb aan Hommel veel steun gehad op administratief gebied. Hij regelde wedstrijden en alles wat daar omheen hoorde. Hommel was een enorme serieuze man, die zijn zaakjes goed voor elkaar had”.

Familiebijeenkomsten onder Gerard van de Grootevheen
Gerard van de Grootevheen is hoofdtrainer bij sc Hoevelaken van 1976 – 1979. Trainingen en wedstrijden zijn verkapte familiebijeenkomsten, want in zijn periode als hoofdtrainer spelen zijn huidige – en toenmalige zwagers Jaap van de Pol (van zus Truus), Jop van den Berg (van zus Corrie) en Arnold van den Hoeven (van zus Wil) in de hoofdmacht. In een dubbelview, samen met Jaap van de Pol, gaat een deel van het gesprek in 2003 als volgt:
Hoe was het om als hoofdtrainers drie familieleden onder je hoede te hebben?
Jaap: “Dan ga ik eerst even naar de WC”.
Gerard: “Ik heb daar weinig problemen mee gehad. Ik heb ze altijd hetzelfde behandeld als alle andere spelers. Dat hebben ze zelf ook zo ervaren. Je mag het ze gaan vragen”.
Zulks gebeurt dan ook wanneer Jaap terugkomt van het toilet. “Waardeloos”, grijnst hij met zijn bekende glimlach. Om er aan toe te voegen: “Nee hoor, dat ging best”.

Klaas Brouwer (1994-1998): “Een jaar te lang gebleven”
Op het moment dat Klaas Brouwer in 1993 als B-trainer bij Hoevelaken binnen stapt is Leon Corba nog hoofdverantwoordelijke. “Ik heb in dat jaar veel spelers moeten opvangen, die niet meer in het eerste wilden spelen”, zegt Brouwer in 2011. “Datzelfde heb ik in mijn laatste jaar bij Hoevelaken ook meegemaakt. Hoevelaken 2 werd kampioen, terwijl wij degradeerden. Jongens kiezen uiteindelijk voor de sfeer en de resultaten. Dat is dan best lastig”.

Willem van ’t Land kijkt terug op zijn keepersbeleid, juni 2007
De laatste vraag die rijst is, of de periode onder Van ’t Land als het tijdperk van de doelverdedigers gekenmerkt mag worden. In Michiel van Elk, Arno Haverkamp en later Jonas van de Goot en Ronald Evers lijkt Hoevelaken over vier goede doelwachters te beschikken, maar uiteindelijk is het geheel onverwacht Jeroen van Doornik die de plaats onder de lat inneemt. “De situaties met de keepers zijn zeker niet gemakkelijk geweest”, erkent Willem. “Eerst was Michiel niet altijd beschikbaar, waardoor we wat wisselingen hadden en in het jaar dat Ronald Evers erbij kwam, heb ik niet altijd de gelukkige keuzes gemaakt. Dat had ik achteraf anders gedaan”.

Rob van Griensven kijkt terug op zijn eerste seizoen bij sc Hoevelaken, juni 2008
De uiteindelijk onverwachte en verrassende kampioen DSV ’61 werd in Hoevelaken in een goede slotfase met 4-0 aan de zegekar gebonden. In Doornspijk trok Hoevelaken eerder dit seizoen in een ‘kleurrijke’ wedstrijd in de laatste minuten aan het kortste eind. Rob van Griensven kijkt echter met genot op die wedstrijd terug. “Dat was in mijn ogen de beste wedstrijd van het seizoen”, zegt hij. “Het was een wedstrijd waarin we ons, samen met de supporters, hebben laten gelden. Dat gebeurt veel te weinig. Tegen DSV hebben we niet alleen goed gevoetbald, maar ook laten zien dat we karakter in ons donder hebben. Zowel verbaal als in de duels hebben we ons laten gelden. Al kan hebben meegespeeld, dat we in de scheidsrechter daar een extra vijand hadden. Maar het samenspel met de supporters mag veel vaker gebeuren. Zij laten zich vaak wel verbaal en in aanmoedigende zin horen. Op een paar wedstrijden na deden wij daarmee als team te weinig”.

De visie van Jan van den Heuvel, zomer 2015
“Hoevelaken is nog niet de stabiele tweedeklasser, waar ik wel de uitdaging in zag. We hebben wel de kans gehad, maar afgezien van het halve jaar dat Tim Overmars deel uitmaakte van de selectie hebben we een echte doelpuntenmaker gemist. Onze doelpunten zijn gemaakt door veel verschillende spelers, daar waar veel andere verenigingen wel een echte topscorer hebben. Relatief slechte wedstrijden worden dan toch gewonnen, alleen door zo’n goudhaantje. In potentie zou Ramon Geijtenbeek dat bij ons kunnen worden, maar hij moet mentaal nog wennen aan het seniorenvoetbal”.

“Aan de andere kant, voordat Eric en ik aan deze klus begonnen heeft Hoevelaken vijf jaar niet om de prijzen gespeeld. Inmiddels hebben we vier seizoenen achter de rug, waarin we om iets hebben kunnen spelen. Er is dus wel degelijk iets neergezet. Het prestatievoetbal binnen de selectie is terug en mede door de nacompetitie kom je in de publiciteit. Dat is goed voor de vereniging”.

“Het verloop binnen de selectie gaat momenteel snel. Voor iedere vereniging is het goed, om een stabiele kern te hebben en die aan te vullen met talenten uit het tweede elftal. De groep met spelers tussen 23 en 26 jaar is bij ons echter niet zo groot. Heb je een 24-jarige speler die nog vijf jaar meeloopt, dan is die daarna nog niet op z’n retour en heeft bovendien de ervaring, om een wedstrijd over de streep te trekken. Hoevelaken heeft momenteel heel veel jonge spelers en daarnaast met Dennis de Haas en Peter van der Weerd twee wat oudere spelers. Daartussenin, de zogenaamde midden-categorie, is het bij ons heel smal. Milan van den Hoeven zou met z’n 24 jaar zo’n spelers kunnen zijn, maar die heeft vanwege zijn kruisbanden een jaar moeten missen. Het verjongingsproces komt daardoor in een stroomversnelling. Vroeger, toen Eric en ik zelf nog speelden, hadden we een kern, die tien jaar met elkaar speelde. Enige jaren terug, in de eerste tien jaar van deze eeuw, was er ook zo’n vaste groep, met Raymond Buis, Rutger Peters, Mark Buitink, Bas Buitink, Ferry Riksen, Jelle Groosjohan en dan vergeet ik nog wel iemand. Dat is de basis van je elftal. Op dit moment hebben we die groep niet. Onderweg zijn we dus ergens een generatie kwijtgeraakt en is de loop er ingekomen”.

Top