CCDD 29 – Zwarte bladzijden

Onderstaand verhaal gaat terug naar rond de eeuwwisseling.

Sc Hoevelaken bestaat 40 jaar, daarvoor hulde natuurlijk. In dit, speciaal voor deze gelegenheid, uitgegeven jubileumblad dan ook veel historische gebeurtenissen van deze afgelopen 40 jaar. In het algemeen worden in dergelijke uitgaven echter slechts de mooie prestaties en hilarische gebeurtenissen vermeld. ‘Onze’ club kent echter ook een aantal gitzwarte bladzijden, geschreven gedurende de lange historie. Als tegenwicht mijn bijdrage.
Was getekend: Marcel van den Hoeven

Persoonlijk zwart
Het is april 1997, een prachtige lentedag. Jan Baas, beter bekend als voorzitter, heet een ieder welkom op een ‘zonovergoten Kleinhoven’. Ik voetbal in de A2, een talentvol team, ondanks het feit dat er tijdens het seizoen geen punt behaald is. Vandaag staat een wedstrijd tegen het altijd lastige SEC A2 te wachten, in Soest. Aan het uiterlijk van de Soester vrouwen te zien, kan het daar spoken. Maar de sfeer is goed, de spelers fit, dus het kan een mooie wedstrijd worden. En het werd een mooie wedstrijd, voor de matadors uit Soest wel te verstaan. De eerste 5 minuten hielden we heldhaftig stand. Maar in de 6e minuut was het dan toch gebeurd. Met een fraaie kopbal maakte de boomlange spits van SEC er 1-0 van, om er een minuut later 2-0 van te maken. De ban was gebroken en de doelpunten vlogen als rijpe appeltjes om de oren. Met de respectabele tussenstand van 11-0 gingen we aan de thee. Mijn goedbedoelde, “het kan nog jongens” werd weggelachen door mijn medespelers. De teamspirit was verdwenen en het aanwezig zijnde talent bleek toch een stuk minder dan mijn eerdere vermoedens. Kortom, met een eindstand van 26-0 konden wij huiswaarts keren. Op sportpark Kleinhoven was het inmiddels ‘gezellig’ druk geworden. Het eerste had gewonnen en de sfeer was, hoe zal ik het zeggen, euforisch te noemen. Ik probeerde anoniem in de menigte op te gaan, wat me aanvankelijk goed lukte. Totdat ik een tikje op mijn schouders kreeg. Ik keek recht in het goedgehumeurde gelaat van mijn vader. “En wat heb jij vandaag gedaan, zoon” vroeg hij opgewekt. “Nou vrij weinig eigenlijk, een beetje uitgeslapen”, antwoordde ik beschaamd. “Ik meende je vanmorgen toch echt met een voetbaltas te zien vertrekken”, counterde mijn vader. ”Moest je niet voetballen dan? ”Nee afgelast”, antwoordde ik beslist. “Met dit weer?” “Okay!” Zei ik briezelend, “Ik heb gevoetbald ja en 26-0 verloren ja, tegen SEC A2, ik heb betere wedstrijden gekend”. Het gezicht van mijn vader stond ineens een stuk minder gehumeurd, maar ik zag het niet meer. Ik had al mijn tas gepakt en was in sneltreinvaart huiswaarts gefietst, om daar vervolgens lang niet meer vandaan te komen.

Blauw zwart
We schrijven 17 augustus 2002, opnieuw een zonovergoten zaterdag. Na een welverdiende zomerstop van een aantal maanden, eindelijk weer trainen op ons eigen trainingsveld. We hebben al wel een aantal keren bij de hockeyclub getraind, maar dat is natuurlijk toch anders. Ik parkeerde mijn fiets, als altijd, keurig op het gravelveldje en wierp een blik op mijn tweede huis, de kantine. Ik wreef mij in de ogen en keek nog een keer, zag ik het nou goed, was hij blauw? Ik keek angstig om me heen om te zien of ik de skyline van bardancing de Baggelaar kon ontdekken, maar dit was niet het geval. Ik was dus toch niet bij de vijand beland, ik was bij mijn eigen cluppie. Schoorvoetend liep ik naar de blauwgekleurde hel, wat ooit de hemel was geweest. Gevuld met bier en blije mensen, met her en der rode tinten in het interieur. Bij de kantine aangekomen zag ik een huilende Beer Visser die schreeuwde “waarom, waarom!!!” Ik zag Ben Boekhout met een postzegel waar je U tegen zegt. Jantje ‘Plof’ van de Heuvel sloeg zijn krukken kapot op de blauwe gevel en ik bekeek dit tafereel met een glazige blik in mijn ogen. En ja hoor, een traan biggelde over mijn gezicht. Inderdaad Beer, waarom?

Zwarter dan zwart
Zaterdag 12 mei 2001, zoals op zoveel zwarte dagen was het weer om over naar huis te schrijven. Bijvoorbeeld dat het zeer zonnig en goed van temperatuur zou zijn. Het is 17.30 en in een hoekje van de kantine vieren de jongens van de A1 hun feestje in verband met het zojuist behaalde kampioenschap. De sfeer in de kantine is überhaupt zeer goed, de A1 is die dag dus kampioen geworden en ook het 10e zal deze dag het beste van hun competitie blijken, daar twijfelt niemand aan. Om 17.45 komen ze dan binnen, gladiatoren van het 10e, maar daar waar iedereen verwachtte blije, uitgelaten gezichten te zien staan de kopjes op onweer, ja, zelfs de eerste traan wordt waargenomen. Het zal toch niet? Jazeker, het zal wel, de wedstrijd en daarmee het kampioenschap zijn verloren, op de laatste speeldag nog wel. De eerst zo goede sfeer in de kantine is op slag veranderd. De A1 houdt, uit eerbied voor hun collega’s, op met feestvieren, Jan Epskamp tilt zijn bril iets op om wat zout water te deppen, Gerard ‘snorretje’ van de Grootevheen pakt teder de arm van Wout Dekker vast en Wiegert zoekt, niet naar eieren dit keer, nee, Wiegert is op zoek naar innerlijke rust. Dan pakt Ernst Beitler, vaandeldrager van het 10e en van nature al een leiderstype, kordaat de microfoon van Jan Baas, die net bezig is met een afscheidsspeech voor Martie Doppenberg, want hij was gestopt die dag, ook dat nog. En hij begon met het meest indrukwekkende relaas dat ooit gehouden is. Marten Luther King en John F. Kennedy zouden daar een puntje aan kunnen zuigen, ware zij nog onder ons. Het gaat over dromen, over beloften, over hoe het Hoevelakense volk onderdrukt wordt door het ‘blanke ras’ en hij zegt: “Ik ben een Hoevelaker”, in het plat Hoevelaaks natuurlijk. Tot slot vertelt hij over hoe zijn eigen telg, zijn eigen bloed hem bemoedigend toesprak, “papa, voor mij ben je wel een kampioen”. Dit was teveel emotie voor de aanwezigen in de kantine, een massaal snikken brak uit. Om een korte de situatie te schetsen in ons clubhuis op deze zwarte dag, dit kleine gedichtje:

De kantine zwijgt,
De sfeer is koud,
Luidt klinkt er ‘krak’,
Het is de arm van Wout.

Hij kon het weer niet laten die gekke Snor.

(Voor wie er niet bij was: Wout Dekker brak zijn arm bij een wedstrijdje ‘handje drukken’ tegen Gerard van de Grootevheen)

Top